Siet Zuyderland  Een oeuvre in cirkels

 

 

Stel, je schrijft een kunsthistorische verhandeling over iemands werk, waarbij het doel misschien wel is, aan te tonen dat het beginwerk logischerwijs heel veel te maken heeft met het laatste werk. Daarbij heeft de betreffende kunstenaar zeer goede betrekkingen met de schrijver Bernlef, die regelmatig over zijn werk gepubliceerd heeft.

Is het dan niet heel overmoedig om nog aan zo’n project te beginnen, zeker als Bernlef eigenlijk de diepste betekenis van het werk al heeft onthuld in een publicatie uit 1985, getiteld ‘Het schilderij als donkere kamer’?

 

We spreken hier over Siet Zuyderland, wiens meest bekende werken wel zijn serie gevangenisdeuren en metrostations uit de zeventiger en tachtiger jaren zijn. Beide series werden indertijd in het Stedelijk Museum in Amsterdam getoond.

 

Mijn eerste aankoop in een officiĎle galerie betrof een litho van Siet Zuyderland, The Red Wall, uit 1979. Ik kocht het bij de galerie van Fenna de Vries in Rotterdam. Ik kan niet meer terughalen waarom ik de litho kocht, maar wél dat ik, terugkomend van een bezoek aan Londen, speciaal via Rotterdam naar Groningen reed, om te gaan kijken naar de prent.

Drie jaar later, vanaf 1983, werkte ik als conservator hedendaagse kunst in het Gemeentemuseum Arnhem (nu MMKA), waar toen net een tentoonstelling was geweest met werk van Siet Zuyderland.  We kochten als aanvulling op werk dat er al was de serie Hongkong Prints voor het museum.

 

Het was het moment dat het ‘nieuwe schilderen’ onder de in Nederland bezielende leiding van René DaniĎls een succesvolle aanval deed op de periode van de conceptuele en abstracte hiĎrarchie in de beeldende kunst.

Ikzelf hield erg van de helderheid van abstracte kunst, maar misschien meer nog van het abstract realisme van Siet Zuyderland.

De terugkeer van de intuētie en artisticiteit in de schilderkunst was niet te vermijden, maar bracht logischerwijs heel andere beoordelingscriteria met zich mee.

De serie Gevangenis-  en Metroschilderijen die Zuyderland in de zeventiger jaren had gemaakt pasten niet meer in deze nieuwe tijd.

 

Veel later, in Amsterdam, leerde ik Siet Zuyderland persoonlijk kennen.

Hij liet me zijn serie ‘Kamers’  zien, die ik later exposeerde in mijn ‘galerie Oele’ aan de Lijnbaansgracht.  De serie ‘Kamers’ paste in de opdrachten die hij eerder had gemaakt voor het Gerechtsgebouw in Arnhem en het brandscherm in theater Carré in Amsterdam.

 

Het is mijn overtuiging dat een leven uit verschillende cirkels bestaat en mijn contact met Siet Zuyderland zie ik als één van die cirkels met aan het begin de grote belangstelling die ik had voor zijn werk, resulterend in een vriendschap en deze publicatie waaraan ik het afgelopen jaar heb meegewerkt.

 

 

 

 

 

Siet Zuyderland, Amsterdam 1942

 

Siet Zuyderland is geboren op 11 mei 1942 in Amsterdam,  twee jaar na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.  Het lijkt een onmogelijk moment, midden in de oorlog, vader was tewerkgesteld in Duitsland, een oudere broer en zus. Zijn moeder stond er alleen voor en pas na drie jaar zag zijn vader zijn jongste zoon voor het eerst.  Dat moeten geen gemakkelijke tijden zijn geweest.

 

Als 15 jarige werkt hij overdag bij een reclamebureau en in de avonduren gaat hij naar de Vrije Academie om model te tekenen. Als 16 jarige gaat hij naar het Instituut voor Kunstnijverheid Onderwijs in Amsterdam, een voorloper van de latere Rietveld Academie. In de avonduren verdient hij bij om de school en zijn kostgeld te betalen.

Een echte selfmade man, geboren in een jaren 50 milieu,  kind van de 2e wereldoorlog; een leven, geheel op eigen kracht, keihard werkend om te bestaan.

 

En dat deed hij dan wél opgewekt en met een aanstekelijk enthousiasme.

Een ontmoeting, drie jaar na de Academie, met oud docent Wim Brusse en Eva Besnyö, zorgde voor een introductie in de kunstwereld en daarmee voor een flitsende start van zijn carriŹre met tentoonstellingen in De Brakke Grond, georganiseerd door Jan Van Loenen Martinet,  en in Atelier 5 in het Stedelijk Museum in Amsterdam onder de toenmalige directeur Edy de Wilde.

Het daaropvolgende succes duurde toch zeker tot en met de tentoonstelling van Bruggen en Sluizen in Museum Fodor in 1984.

Daarna, met de overname van de kunstmarkt door een nieuwe generatie schilders, werd het wat moeilijker.

 

 

 

Gevangenissen en Metro Stations

 

De werken uit het begin van de zeventiger jaren blijken een lange voorbereiding te zijn op de Gevangenis serie die in 1974 het licht ziet. Hij tekent een aantal jaren veel interieurs en details van interieurs als bijna technische tekeningen.

Het is het moeilijkst voor een beginnend kunstenaar om net genoeg weg te laten, de kleur te doseren, je ideeĎn te bezweren en in bedwang te houden. In de uiteindelijke Gevangenis serie is dat  hem voor de eerste keer precies gelukt. Deuren waar je niet doorheen lijkt te kunnen, weinig maar zeer nadrukkelijk aanwezige kleuren, beklemming, alles zit erin.

Dat is ook meteen de kwaliteit van de serie: het preciese evenwicht tussen vorm en inhoud. De vorm is spannend; je ziet een detail (een bewakingsspiegel) rechtsboven op de gele deur waardoor het schilderij net een goede spanning krijgt en niet saai wordt. Daarbij voel je dat de inhoud: de opsluiting, een fascinatie van de kunstenaar is, bewust of onbewust.

 

Metro Stations

 

In de periode 1975 – 1978 verschijnen dan de Metro Stations. Een werkelijk prachtige serie waarop interieurs van metrostations in vele steden in de wereld zijn verbeeld.

Overal tekent Zuyderland als voorbereiding de details die hij ziet, de constructie, alsof het de anatomie van een lichaam is.

Waarschijnlijk zijn daardoor de schilderijen ook zo concreet en in zekere zin kaal of helder geworden. Er is geen ‘slap’ moment de vinden, het fundament is stevig. Net als in de Gevangenis serie is kleur heel geēsoleerd gebruikt , waardoor het effect ervan groot is. Hij gebruikt meer details dan in de gevangenisserie, maakt het schilderij iets ingewikkelder zonder dat het aan effect inboet.

Bernlef zegt erover: ‘hij heeft het daglicht de rug toegekeerd en is ondergronds gegaan.’

Het is waar, maar toch zie je dat hij trappen en letterlijk een ‘way out’ of ‘exit’ schildert, een opluchting vergeleken bij de hermetische gevangenisserie, waar geen ontsnapping mogelijk is. Er straalt een zelfverzekerdheid en rust uit de werken, die weldadig aandoet.

 

Beide series zijn in het Stedelijk Museum in Amsterdam getoond en hebben grote bekendheid gekregen. Bij de opening van het eerste metrostation in Amsterdam zijn er in de toegangshal van het Centraal Station ‘kijkdozen’ gemaakt waarin je door een bril kon kijken naar de prachtig belichte serie. Achter iedere ‘bril’ was weer een ander metrostation uit de wereld te zien. Een prachtig, heel toepasselijk project. Heel jammer dat het met de bouw van de noord-zuid lijn is verdwenen.

 

Je ziet in deze Metroserie al een ontwikkeling in gang komen die een vervolg zal krijgen in werken met constructies van bruggen .

 

 

 

Bruggen en Sluizen

 

In de periode na 1985 is goed te zien dat Siet Zuyderland een nieuwe weg wil inslaan, misschien ook onder de druk van de tijd, maar volgens zijn eigen zeggen ook zeker omdat hij vrijer wil zijn tijdens het werken. De werken tot nu toe zijn alle gebaseerd op een idee dat goed voorbereid, bedacht en bestudeerd is. Daarna bestond het maken van het schilderij voornamelijk uit de uitvoering ervan. Een tijdrovend en inspannend werk, maar het idee was er al voor de uitvoering een aanvang nam.

Hij heeft behoefte aan het openbreken van het beeld en van het oppervlak en gaat daarbij zover om papier te knippen en als collage in het werk mee te nemen. Je ziet vooral de binnenkant en constructies van bruggen en sluizen. De kleur verdwijnt voor een groot deel uit het werk. Ook de maat van de werken wordt veel groter. Het was een duidelijke poging van Siet Zuyderland om te ontsnappen aan het hermetische aspect van eerdere werken en ook aan de manier van werken. Hij had om zo te zeggen letterlijk armslag nodig. Je kan zelfs een zekere agressie en woede voelen bij de werken die op dat moment ontstaan. Of is het misschien een gretigheid om zich te uiten, weg te zijn van de gesloten ruimtes, zichzelf binnenste buiten te keren.

 Een overzicht van dit werk, dat een echte breuk met het verleden laat zien, werd getoond op de tentoonstelling in Fodor in 1986 en zal veel bezoekers verrast hebben.

 

Het zijn grote vellen met dreigende uit elkaar vallende ijzeren balken, cirkels, kruisende stalen sprieten. Ze zijn soms getekend op bruin pakpapier, de enige kleur is rood. Dreigende wolkenlandschappen komen in je hoofd op.

De tekeningen waarop hij de constructies voorbereidt (tóch nog, net als bij de metro’s en gevangenissen) wijzen vooruit naar de latere ‘Kamers’ uit 2001.

 

De periode van deze grote constructies heeft geduurd tot 2000.

Daarna gebeurt er iets in zijn leven dat terug te zien is in het werk. Zuyerland wordt letterlijk geveld door een hartziekte, zodat zijn bewegingsruimte beperkt wordt. Het dynamische leven dat hij leidt moet noodgedwongen plaatsmaken voor een rustiger leven, wat voor hem een bijna onmogelijke opgave is.

Langzaam wordt hij fysiek gesloopt, maar hij blijft nieuwe werken maken, iedere dag in zijn atelier.

Zo ontstaan de series Alphabetstad en Kamers. Alphabetstad wijst duidelijk vooruit naar de werken die hij op dit moment, in 2010, aan het maken is. De Kamers hebben veel met de sluisdeuren en bruggen te maken, maar zeker ook met de Ramen waarvoor hij in 2000 een opdracht krijgt in het Gerechtsgebouw in Arnhem, en met de opdracht om een brandscherm te maken in theater Carré in Amsterdam.

 

De serie werken getiteld Kamers zijn veellagige, technisch zeer bewerkelijke zwart/blauw/witte geschilderde interieurs met een koele uitstraling.  Alle thema’s die hij heeft gebruikt in het verleden: ruimtelijkheid, geslotenheid, constructies, dichte ruimtes ,  zelfs de enigszins surrealistische vormen uit zijn eerste werken komen hier terug. Het lijkt wel een poging tot een resumé van zijn oeuvre, maar dan in een heel nieuwe vorm gegoten. Alle werken hebben dezelfde afmeting, dezelfde helderheid en precieze uitvoering.

 

Alphabetstad, een kleinere serie, lijkt wat ingetogener. In de werken komt de kleur weer terug.

We zullen zien dat in deze serie al vooruitgeblikt wordt, voor zover dat kan, naar de meest recente werken die zijn ontstaan tussen 2006 en 2010.

 

En dan nog zijn er de werken die met zijn hartziekte te maken hebben, met titels als  Hearts, Heart & Tarantula, Veins, kamer(rood/blauw) enz., gemaakt tussen 2002 en 2004, en Jetsam-Flotsam tussen 2006 en 2007.

De titels geven ons alle ruimte om de werken direct te relateren aan de grote problemen die Siet Zuyderland inmiddels ondervond door zijn hartziekte. Draden, katheders, aders: hier biedt hij ons echt een kijk op zijn binnenkant, maar dan ook letterlijk, en dan ook weer op de technische details die te maken hebben met hartonderzoeken etc.

Na jaren van verminderde hartwerking komt de enige mogelijke oplossing steeds dichterbij, namelijk een harttransplantatie.

 

 

De latere werken:

 

En dan nu, de jaren na de harttransplantatie, is er weer een heel nieuwe serie ontstaan.

Siet Zuyderland heeft op de benedenverdieping van zijn huis het reeds bestaande atelier opnieuw ingericht en werkt daar, dicht bij huis,  gestaag door aan zijn oeuvre. Daar ontstaan de meest bijzondere, intieme werken, een samengebalde samenvatting van zijn leven. Een implosie, noem het zoals je wil. De werken bestaan uit vele geschilderde lagen over elkaar, je weet in eerste instantie niet wat je ziet.  Namen die vroeger al in zijn eigen aantekeningen voorkwamen zie je nu terugkeren: Matta, Saura, maar ik zou ook zeggen Adolph Gottlieb of het vroege realistische werk van Rothko. Een onverwachte combinatie van surrealisme en constructie, losgeslagen maar zeker in een stevig harnas.

De werken zijn ontroerend, je ziet hechtingen, bedradingen, craquelé, maar ook verwijzingen naar zijn eerdere werk en verwijzingen naar de kunstgeschiedenis.

De formaten zijn nog kleiner dan voorheen, de techniek is geweldig, net als zijn altijd op de loer liggende perfecte gevoel voor esthetiek waar hij dan weer doorheen wil.

 

De werken zijn vooral ook zo ontroerend omdat je langzaam, op dit punt gekomen, de ontwikkelingsgang van zijn oeuvre kan zien en voelen.

 

Wie aus einem Guss.

 

Zijn oeuvre tot nu lijkt  te zijn ontstaan als een grote hap adem: de kunstenaar begint vol nieuwsgierigheid en gretigheid naar wat komen gaat; gaat van een vliegende start vol optimisme in de eerste periode, via een poging om los van zichzelf te komen (wat natuurlijk niemand ooit echt lukt, maar dat weet je dan nog niet) naar een min of meer gedwongen terugkeer naar kleinere formaten, maar zonder zijn verleden uit het oog te verliezen.

En dan is er in 2010 dus toch opnieuw een grote hoeveelheid werken ontstaan die op vele manieren zijn oeuvre samenvatten, maar tegelijk toch ook weer hele nieuwe werken zijn. Werken die eerder nog niet gemaakt zijn en letterlijk en figuurlijk vele, vele lagen hebben.